Poes

Daar plof je dan
met je volle pluizenbuik
krullend in de trui waar ik de volgende dag
geïrriteerd je haren van af zal plukken.
Ik weet het,
maar ik laat je.

Al tien jaar
vormen wij een thuis.
‘s Ochtends achten wek je me,
‘s avonds tienen wil je nog even een knuf.
Ik weet het,
dus ik laat je.

Hoe vaak zag jij mijn hartje al gebroken.
Hoe dikwijls begroef ik mijn liefdestranen diep in jouw pels.
Hoe onwetend kroop jij in schoten die mij later zouden kwetsen.
Hoe trouw was jij aan liefdes die mij dat niet waren.
Ik wist het,
maar ik liet je.

Troostend streek je langs mijn been
wanneer liefde stil uitdoofde,
of juist als een geweldsymphonie mijn leven uit knalde.
Je bood je warme pels als deken op mijn koude huid
wanneer ik rillend moest ontdekken dat mijn man
zijn hart aan een ander had gegeven,
of wanneer nieuwe liefdeskriebels
onbeantwoord moesten barsten.

Ik benijd soms hoe jouw wereld ophoudt bij de vensterbank,
je geen benul hebt van de katers uit de buurt,
en ik je lang geleden al bevrijdde van jouw biologische klok.

Pluizenpop
Slokop
Spinnenkop

Jouw liefde is naïef
En dus oneindig.

Ik weet het,
Maar ik lief je.

Advertenties

Focus

Als een prinses trad ik maandagochtend mijn nieuwe werkpaleis binnen.
Ik had de hele nacht wakker gelegen, want ik wist dat na jaren haat-liefde verhouding de stad Tilburg mijn verwachtingen zou overtreffen. In de vroeger grauwe spoorzone heeft de oude locomotiefhal zich ontpopt tot de hippe Lochal, waar architectuur en kunst trouw hun liefde vieren.

In dit net opgeleverde paleis huist de werkplek waar ik me vol overgave stort op het brengen van snuifjes kunstzinnige schoonheid aan de wereld. Maar het on top of the world – gevoel waarmee ik door de inkomhal wandel, wordt in de kantoorruimte onderdrukt door een chaotische brij die zich meester maakt van mijn denken.
Het stabiele kantooreiland waar ik dagelijks dezelfde collega’s trof, heeft zich omgeruild voor een resem aan flexplekken waaraan volgens het “wie eerst komt, eerst maalt” principe gewerkt kan worden. Ik weet van enthousiaste onzekerheid niet waar eerst te zitten en al snel verloopt de week in een eeuwige zoektocht naar de fijnste werkplek.

In een poging me aan de chaos te onttrekken, zoek ik een torenkamer op waar ik even ontsnap aan de wereld. Het is een stilteruimte waar in trendy letters “focus” op de deur staat geprint. Ik plug oortjes in en laat muziek mijn hoofd binnen razen, hopend de gillende hersenspinsels tot bedaren te brengen. Voor het eerst sinds enkele lange dagen ligt de focus op mezelf, en zo komt dat ik me, in de grootsheid van dit paleis, eventjes heel alleen voel.

Vanuit het onderbewustzijn van mijn prinsessenbrein poppen duizend plotse vragen op.
Hoe ik het geluksgevoel dat ik de laatste maanden in mezelf heb gevonden vasthoud, in welke periode van het jaar de klaprozen in bloei komen en waarom het steeds de meest ontwapenend leuke mannen zijn die je berichten onbeantwoord laten sudderen in stilte.

Ik sluit mijn ogen voor de lange “TO DO”-lijst die van mijn scherm spat en stijg in gedachten het gebouw uit. Hoog boven de stad zwevend zie ik in de verte de Hogeschool voor de Kunsten waar ik 15 jaar geleden met een zelfgeschreven monoloogje auditie deed, vol stille hoop ooit een carrière te hebben waarin ik mensen in betekenisvolle aanraking breng met de kunsten.

Ik open mijn ogen en land met een plof weer in de focusruimte.
I did it, denk ik, en vol trots stort ik me op mijn to-do’s.
Daar ben ik weer.
Op de top van de wereld.
Een prinses in haar werkpaleis.

It’s gonna take a bit of work
Oh oh work
Now that you’re here
Oh oh work
‘Cause people come and go
But I think you should know
That I
I think this will work*

*Charlotte Day Wilson

Cafe con leche

Van 2012 tot 2015 woonde ik in Argentinië. Een stukje avontuur waar ik vol mooie en bitterzoete herinneringen op terug kijk. Tijd om er eentje te delen.

Cafe con leche.

Na zes maanden Buenos Aires was het uiteindelijk koffie wat de emmer deed overlopen.
Compleet verbouwereerd staarde ik naar het kopje dat de Argentijnse serveerster nors voor me had neergezet. Het Italiaanse immigratieverleden van deze stad was niet te herkennen in de cappuccino wiens zure lucht mijn naar échte koffie verlangende neusgaten binnendrong. Met dezelfde snelheid als het slappe melkschuim trok de hoop me hier ooit thuis te voelen weg.

Ik had nochtans mijn best gedaan.
Na dertien jaar vegetarisme boog ik me gewillig over Argentijnse steak, droeg ik flipflops in plaats van bottekes, en dronk ik ’s ochtends bittere maté in plaats van een Belgisch tasje koffie. Maar nu de opwinding van mijn grote oversteek was gaan liggen, stonden mijn ogen dagelijks net zo waterig als Argentijnse koffie. Het waren niet eens mijn familie of vrienden waar ik vol heimwee naar verlangde, maar wel de kleine gewoontes die maken dat je je ergens thuis voelt; een frietje speciaal op een druilerige dag, ’s winters thuis komen en je handen bevrijdend warmen boven de chauffage, de nog frisse wind doorstaan voor een pintje in de eerste lentezon.

Hopend op een stukje herkenning nip ik voorzichtig de smaak van mijn cappuccino binnen, maar ondanks de grote hoeveelheid koffieplantages op dit continent, is het niet meer dan de herinnering aan koffie die in de romige melk hangt. Bovendien verklikt de melktemperatuur de luiheid van de barman en op het schoteltje onder het kopje drijft de klets nonchalance waarmee de serveerster het laatste stukje hoop tot bij mijn tafel had gedragen.

Dit was meer dan een kopje teleurstelling.
Wie emigreert voor de liefde, wordt soms pijnlijk geconfronteerd met het werk dat je te doen staat om binnen het grote avontuur samen, ook jezelf weer te vinden.
Zo verloren als de smaak was in deze cappuccino, was ikzelf in dit avontuur.
Toch besloot ik – niet wetende dat ik een aantal jaar en een gebroken hart later mijn dagen weer met Belgische koffie zou starten – door te gaan tot de bodem. Langzaam leerde ik het doorzettingsvermogen waarmee ik deze cappuccino had leeg gedronken, in te zetten om mijn avontuur door te zetten.Voor de liefde. Toen.
Spijt? Enkel van de koffie.

Over tienertranentroostend en andere rollen die kunst speelde tijdens mijn puberjaren.

Je schrijft dagboeken vol,
Hartjes en dik gekraste letters.
De wereld in je handen,
Je wereld die ontglipt.
Ik zie je balanceren tussen “beter dan dit wordt het niet”
en donkere gedachten in geheime kamers van je hoofd.
Ik zie hoe vol geheimen je hart is,
Hoe vol vertelsels je praten,
En hoe leeg het soms in je buik.

Ik zie hoe thuiskomen voor jou elders is geworden.
Hoe je nieuwe plekken zoekt die zich kunnen ontfermen over je verlorenheid,
de onzekerheid van je jongemeisjeslichaam,
over de zoete herinneringen aan je eerste kus.

Geheime briefjes, geheime liefjes.
Borstjes. Puistjes. Haartjes.
De haartjes van een ander.
Eerste keren, experimenteren.
Verliefd op een meisje, verliefd op een jongen.
Hoe je niets weet, maar van alles vindt.

Ik voel je woede over het onrecht dat de grotemensenwereld je aan doet.
Ik lees je verlangen vrij te zijn.
Ik proef je gebrokenhartenverdriet – wist je toen maar dat.

Muziek die zo luid door je oren knalt tot je niets meer voelt.
Gedichten zo meeslepend lang tot je alles voelt.
Theater mogen spelen en – goddank – even niet jezelf moeten zijn.

Kunst.
Kunst als uitlaatklep.
Kunst waar je mag klinken.
Tienertranentroostende kunst.
Kunst die nieuwe deurtjes opent in je hoofd, naar de kamers waar jij jij mag zijn.
Waar jij jij mag worden.

Ik schreef deze tekst na het herlezen van mijn tienerdagboek. Ik was de hoeveelheid aan emoties vergeten, en – hoewel ik nu wel zie dat ze vaak groots en, inderdaad, puberaal waren – ook de oprechtheid er van. Ik was geen gelukkige puber. Maar meer dan geluk, streefde ik het na om betekenis en mijn eigen identiteit te vinden. Ik vroeg me constant af Wat betekent dit? Wat betekent het dat ik dit voel, dat ik dit mee maak? Via kunst leerde ik dat betekenisgeving geen zoektocht is, – dat het niet ergens op me ligt te wachten, maar iets wat ik zelf moest leren vormen.

Ik las de mythe van Sisyphus, over de nutteloosheid van de zoektocht naar de zin van het leven: de mens zoekt, het universum zwijgt. Langzaam leerde ik de juiste vragen stellen: wat betekent dit voor mij, waarom is dit voor mij van waarde?  De antwoorden zocht ik nog (te) vaak bij mezelf, ik moest ontdekken dat er geen ik is zonder de ander. Probeer de vraag “wie ben je” maar eens te beantwoorden zonder de wereld om je heen te betrekken. Dat wat ons omringt, onze omgeving, de wereld, de andere mensen, de kunsten.

Kunst toont ons de wereld, niet gewoon als verbeelding van het leven, maar van de manier waarop we het leven ervaren. Het toont ons hoe een kunstenaar het leven interpreteert, en daar kan je je toe verhouden. Of je kan zelf kunst maken, en uitdrukking leren geven aan jouw interpretatie van de wereld om je heen.Kunst zet ons, zowel in maken als beleven, in dialoog met onszelf en de wereld om ons heen.

Mijn dagboeken teruglezend – ik greep zelf graag de uitgereikte handen van de kunst en was een vlijtig doener en belever, zag drie belangrijke rollen die ik kunst in mijn jonge leven liet spelen:

Kunst als uitlaatklep. Waar de kunsten de plek zijn waar je je mag uitdrukken, zonder dat het direct over jou gaat. Of juist wel écht over jou. Waar je die veelheid aan emoties filtert, er op reflecteert door er iets creatiefs mee te mogen doen. Waar je terug kind mag zijn en al volwassen tegelijk, omdat het doen in jouw handen ligt. Waar je betekenis en identiteit kunt vormen door wat er onder ligt naar de oppervlakte te halen.

Kunst die nieuwe deurtjes opent in je hoofd, naar de kamers waar jij jij mag zijn.

Kijken en doen en er achter komen: dit kan dus ook.Hier toont kunst je weer nieuwe stukjes wereld, en ontdek je dat je daar ook eigenaar van kan worden. Je mag die nieuwe deurtjes doorgaan maar ook keihard dicht slaan. Ook van je ergens tegen te verzetten wordt jij jij.

De jongere zoekt grenzen op, de kunst verlegt ze telkens verder. Dat vergroot je wereld, ook in je hoofd.

Tienertranentroostende kunst.

Troostende kunst is niet het inzetten van kunst als middel om iets te verwerken. Het is het verhaal van hoe kunst ons iets aanreikt om aan verdriet, vraagstukken, tienertwijfels,… iets van schoonheid toe te voegen, te reflecteren en zo betekenis te vormen aan wat voor jou de wereld is, ook als die eventjes ophoud te bestaan. Het is troost dat er liedjes zijn geschreven over je verdriet. Het leert je dat je niet de enige bent. Het laat je vanop een afstandje kijken en voegt een snuifje schoonheid toe aan de situatie.

En nu jij.
Jij als stukje van die intense wereld van die jongere.
Welke dialoog ga jij aan met die puberwereld?
En met jouw wereld?
Hoe geef jij ruimte aan die puberhersenspinsels?
Welke rol laat jij kunst spelen in dat tienerverdriet?
Wat betekent voor jou: de stem van de leerling?